30/05/2026
“ʀᴏᴜᴡ ɪꜱ ɴɪᴇᴛ ʜᴇᴛ ᴛᴇɢᴇɴᴏᴠᴇʀɢᴇꜱᴛᴇʟᴅᴇ ᴠᴀɴ ʟɪᴇꜰᴅᴇ.
ʀᴏᴜᴡ ɪꜱ ʟɪᴇꜰᴅᴇ ᴅɪᴇ ʙʟɪᴊꜰᴛ ʙᴇꜱᴛᴀᴀɴ.”
Rouw is iets raars.
Iets overweldigends.
Iets waar mensen vaak ongemakkelijk van worden.
Iets waar we liever niet te lang bij stilstaan.
Of dat denken we toch.
Want wat als rouw eigenlijk iets heel anders is?
Wat als rouw niet ontstaat door verlies alleen.
Maar door liefde.
We rouwen niet om wat onbelangrijk was.
We rouwen niet om wat ons onverschillig liet.
We rouwen omdat iemand, iets of een toekomst
een plaats kreeg in ons hart.
Daarom kan rouw zo diep voelen.
Daarom kan ze zich tonen in ons lichaam.
In onze gedachten.
In de manier waarop we naar de wereld kijken.
Toch rust er nog vaak een taboe op rouw.
Alsof we na een bepaalde tijd weer “verder” zouden moeten.
Alsof verdriet een probleem is dat opgelost moet worden.
Alsof het uitspreken van een naam meer pijn zou doen dan zwijgen.
Maar misschien heeft rouw niet meer oplossingen nodig.
Misschien heeft rouw vooral ruimte nodig.
Ruimte om te bestaan.
Ruimte om gedeeld te worden.
Ruimte om gezien te worden als wat ze werkelijk is:
Liefde die nergens meer heen kan
en daarom een nieuwe plaats zoekt.